Overslaan en naar de inhoud gaan

Limburgse wegenbouwsector onder druk: VlaWeBo Limburg legt in jaarvergadering de knelpunten bloot

Rob Dreessen Vlawebo 2026

Zorgwekkend lage investeringen in de Limburgse infrastructuur, dossiers die maar blijven aanslepen door een gebrek aan daadkracht en een hoge administratieve last: het zijn enkele van de punten die Rob Dreessen maandag naar voren schoof in zijn speech tijdens de jaarvergadering van VlaWeBo Limburg. Als voorzitter van de organisatie zette hij de lijnen nog eens op scherp: de uitdagingen, onzekerheden en hervormingen waar al jaren over wordt gesproken, zijn vandaag realiteit. Het is nú tijd om in actie te komen. “2026 wordt het moment van de waarheid voor onze sector”, klonk het.

De investeringen in de Limburgse infrastructuur moeten omhoog. Dat benadrukte Rob Dreessen maandag bij de start van het plenaire gedeelte van de jaarvergadering van VlaWeBo Limburg. De voorzitter van de vereniging van Limburgse wegenbouwers schetste daarbij meteen een verontrustende tendens: projecten zijn voorbereid, vergunningen zijn afgeleverd en plannen liggen klaar, maar de uitvoering blijft uit. 

Dat heeft te maken met een gebrek aan overheidsmiddelen. Het geïntegreerde investeringsprogramma (GIP) van de Vlaamse regering voor 2026 toont dat infrastructuurinvesteringen ongelijk verdeeld zijn over de provincies. Zo gaat het leeuwendeel van het budget naar Antwerpen, terwijl Limburg het moet stellen met amper 2 procent. "Een groot deel van de middelen gaat naar enkele grote projecten en investeringsclusters, vaak buiten Limburg”, zegt Rob Dreessen. “Dat er met de Noord-Zuidverbinding één groot project loopt in onze provincie, mag geen excuus zijn om andere noodzakelijke investeringen uit te stellen. Limburg heeft nood aan een brede en evenwichtige investeringspolitiek, waarin ook kleinere en middelgrote projecten structureel ondersteund worden. Eén project alleen maakt geen toekomstgericht infrastructuurbeleid.” Dat beeld wordt bevestigd door de investeringsplannen in tien Limburgse steden en gemeenten: die dalen van 940 miljoen euro in 2020 naar 838 miljoen euro in 2026, een terugval van bijna 11 procent.

Projecten die vergund en budgettair in orde zijn, worden soms dus on hold gezet omdat de middelen ontbreken om ook de gekoppelde wegenwerken uit te voeren. “Het probleem is niet alleen een gebrek aan middelen, maar vooral een gebrek aan samenhang, continuïteit en uitvoering”, meende Rob Dreessen. “Daarom is onze boodschap eenvoudig: verhoog de investeringen, verdeel ze evenwichtig en zorg dat ze uitgevoerd worden. Maar stem vooral beleid en uitvoering beter op elkaar af. Plannen bouwen geen wegen, dat doen alleen de uitvoerders.” 


Naar een efficiënter infrastructuurbeleid

Rob Dreessen schuwde maandag ook andere hete hangijzers niet. Zo riep hij op tot meer duidelijkheid en rechtszekerheid. “Wegenbouwdossiers moeten vooruit en beslissingen mogen niet langer op zich laten wachten, want stilstand heeft een prijs”, klonk het. Een grondige voorbereiding, realistische termijnen en aandacht voor onzekerheden moeten voorkomen dat problemen pas tijdens de uitvoering aan het licht komen. Duurzaamheid blijft daarbij volgens hem belangrijk, maar de ambities moeten haalbaar blijven en mogen niet leiden tot hogere kosten of een beperkte beschikbaarheid van materialen. 

Ook in de aanpak van nutsleidingen zag Dreessen nog ruimte voor verbetering. Volgens hem moet kwaliteit al bij de aanleg worden gegarandeerd, met een correcte uitvoering, nauwkeurige inmeting, kwalitatieve bestekken en een duidelijke verantwoordelijkheid van de nutsmaatschappijen. Want als de ondergrond niet in orde is, lijden ook de bovengrondse werken daaronder. Tegelijk pleit hij ervoor om bestaande afspraken en verbetertrajecten beter te benutten en op elkaar af te stemmen, in plaats van telkens nieuwe regels, structuren of sancties te introduceren. “Ook data en opvolging moeten beter”, benadrukte hij nog. “Een centrale aanpak kan daarbij helpen, op voorwaarde dat die samen met het werkveld wordt uitgerold en geen extra administratieve last creëert.”

Minder papierwerk is meer dan welkom, want van de administratieve vereenvoudiging waar al jaren over wordt gesproken in de sector, komt in de praktijk weinig terecht. “Neem nu de werfregistratie: eerst werd de check-in verplicht en binnenkort volgt mogelijk ook de check-out. Die registraties zijn goedbedoeld, maar zorgen telkens opnieuw voor extra complexiteit”, zei Rob Dreessen in zijn speech. “Daarom stel ik een eenvoudige regel voor: voor elke nieuwe maatregel moeten er minstens twee bestaande verdwijnen.”


De toekomst begint vandaag

Dreessen benadrukte ten slotte dat de infrasector moet blijven inzetten op digitalisering en artificiële intelligentie, veiligheid voor wegenbouwers en weggebruikers steeds voorop moet stellen - onder meer door verkeer zoveel mogelijk weg te houden van werven - en sterker moet inzetten op lokale tewerkstelling om de krapte op de arbeidsmarkt op te vangen. “Dit jaar wordt het moment van de waarheid voor de Limburgse wegenbouw- en infrasector. Onze sector staat klaar om te bouwen, te investeren en te vernieuwen. Maar daarvoor hebben we vertrouwen, duidelijkheid en samenwerking nodig”, besloot hij.
 

Lees ook het artikel in Het Belang van Limburg